De ontwikkeling van de levensvormen
TIJDPERKTIJDSPERIODE Geologie
KlimaatLEVENSVORMEN
Kenmerkende levensvormen
#Belangrijke fossielen Archaeïcum-3.800 tot -2.500
Ruig klimaat, koolzuurrijke atmosfeerCyanobacteriën in zee
Afzetting bacteriën in # StromatoölietenVroeg- en Midden
Proterozoïcum-2.500 tot -900
Grote ijstijd rond -2300 mj,
lage zeespiegelKolonievormende bacteriën (zonder kern) gevolgd door de eerste Eukaryoten (met kern)
Oudste # AcritarchenLaat Proterozoïcum-900 tot -540
Afwisseling van koude en warme periodenEerste kolonievormende dieren
# Sponzen en de # Ediacara-fauna
Aan einde eerste grote uitstervingsgolfCambrium-540 tot -500
Warme periode.
Hoge zeespiegel en vorming nieuwe ondiepe zeeënCambrische explosie: ontstaan van algensoorten en dieren met pantser of schild
Opkomst van de o.a. de Weekdieren, Stekelhuidigen, Armpotigen en Weekdieren.
Eerste primitieve gewervelde dieren: # Pikaia
Geleedpotigen (Trilobieten!): # MarellaOrdovicium-500 tot -440
Terug naar de ijstijden, toch hoge zeespiegelBruin-, Rood- en Groenwieren verschijnen.
Nieuwe schelpdiersoorten (Tweekleppigen).
Eerste vissen met ontwikkeld skelet en spieren.
# Conodonten (tandjes van kaakloze vissen)
Tenslotte een grote uitstervingsgolf.Siluur-440 tot - 410
Warme periode
Verdere toename zuurstof in de atmosfeerZeeschorpioenen, Mosdiertjes, Armpotigen en kaakloze vissen bevolken de aarde
Eerste planten gaan aan land.
# Reuzeschorpioenen, # Cooksonia
# PantservissenDevoon-410 tot 360
Verdere opwarming en stijging van de zeespiegelGrote verscheidenheid aan ongewervelde dieren en vissen. Eerste Amfibiën. De landplanten ontwikkelen bladeren
# Ammonieten en # Trilobieten
# Kwastvinnige vissenCarboon-360 tot -290
Aanvankelijk Warme periode, later sterke afkoelingGrote Naaktzadigen (planten nog zonder bloemen
# Ginkgo, # Schubbenboom, # Boomvaren
Grote afzettingen (bruinkool, steenkool)
Insekten veroveren het luchtruim (libellen),
uitbreiding Amfibiën en opkomst Reptielen:
# Amniote-eiPerm-290 tot -250
IJstijd, gevolgd door warmere periode.
Vorming supercontinent Pangaea waardoor droog klimaatGrootste uitbreiding Trilobieten
Opkomst Zoogdierreptielen: # Dicynodon
Aan einde zeer grote uitstervingsgolf (zeeleven gedecimeerd; veel Armpotigen. Reptielen nemen plaats Amfibiën inTrias-25 tot -210
Koel en vooral droog klimaatBloeiperiode van de varens
Opkomst DinosauriërsJura-210 tot -140
Warm klimaat
Uiteenvallen PangaeaUitbreiding van de Schaaldieren
Veel Ammonieten en Zeeëgels
Ontwikkeling van de Vogels: # Archaeopteryx
Dominantie van de Reptielen (met de # Dinosauriërs: # Camarasaurus)
Eerste zoogdieren # ConodontenKrijt-140 tot -65
Aanvankelijk warm en vochtig
Aan einde periode grote vulkanische activiteit en inslag supermeteoriet
Ontwikkeling van de Bloemplanten
Einde periode gekenmerkt door derde grote uitstervingsgolf: o.a. de Dinosauriërs
# Edmontosaurus, # Maashagedis (zeereptiel).Paleogeen-65 tot -25
Aanvankelijk zeer warm waarna afkoelingGrootste uitbreiding Zoogdieren
Eerste mensapenNeogeen-25 tot -2,5
Vorming Alpen en Himalaya en
landbrug tussen N.- en Z.Amerika
Grootse ijskap ooit op AntarcticaVerdere uitbreiding Bloemplanten
Quartair
(glaciale perioden)-2,5 tot heden
Ijstijden (=glaciaal)Eerste oermens (- 2 mj) en eerste mens (-0,1 mj)
# Mammoet, # Reuzenhert,
# Homo erectusQuartair
(interglaciale perioden)- 2,5 tot heden
Perioden tussen de ijstijden met gematigd klimaatSubtropische flora in onze omstreken
# Nijlpaard
KlimaatLEVENSVORMEN
Kenmerkende levensvormen
#Belangrijke fossielen Archaeïcum-3.800 tot -2.500
Ruig klimaat, koolzuurrijke atmosfeerCyanobacteriën in zee
Afzetting bacteriën in # StromatoölietenVroeg- en Midden
Proterozoïcum-2.500 tot -900
Grote ijstijd rond -2300 mj,
lage zeespiegelKolonievormende bacteriën (zonder kern) gevolgd door de eerste Eukaryoten (met kern)
Oudste # AcritarchenLaat Proterozoïcum-900 tot -540
Afwisseling van koude en warme periodenEerste kolonievormende dieren
# Sponzen en de # Ediacara-fauna
Aan einde eerste grote uitstervingsgolfCambrium-540 tot -500
Warme periode.
Hoge zeespiegel en vorming nieuwe ondiepe zeeënCambrische explosie: ontstaan van algensoorten en dieren met pantser of schild
Opkomst van de o.a. de Weekdieren, Stekelhuidigen, Armpotigen en Weekdieren.
Eerste primitieve gewervelde dieren: # Pikaia
Geleedpotigen (Trilobieten!): # MarellaOrdovicium-500 tot -440
Terug naar de ijstijden, toch hoge zeespiegelBruin-, Rood- en Groenwieren verschijnen.
Nieuwe schelpdiersoorten (Tweekleppigen).
Eerste vissen met ontwikkeld skelet en spieren.
# Conodonten (tandjes van kaakloze vissen)
Tenslotte een grote uitstervingsgolf.Siluur-440 tot - 410
Warme periode
Verdere toename zuurstof in de atmosfeerZeeschorpioenen, Mosdiertjes, Armpotigen en kaakloze vissen bevolken de aarde
Eerste planten gaan aan land.
# Reuzeschorpioenen, # Cooksonia
# PantservissenDevoon-410 tot 360
Verdere opwarming en stijging van de zeespiegelGrote verscheidenheid aan ongewervelde dieren en vissen. Eerste Amfibiën. De landplanten ontwikkelen bladeren
# Ammonieten en # Trilobieten
# Kwastvinnige vissenCarboon-360 tot -290
Aanvankelijk Warme periode, later sterke afkoelingGrote Naaktzadigen (planten nog zonder bloemen
# Ginkgo, # Schubbenboom, # Boomvaren
Grote afzettingen (bruinkool, steenkool)
Insekten veroveren het luchtruim (libellen),
uitbreiding Amfibiën en opkomst Reptielen:
# Amniote-eiPerm-290 tot -250
IJstijd, gevolgd door warmere periode.
Vorming supercontinent Pangaea waardoor droog klimaatGrootste uitbreiding Trilobieten
Opkomst Zoogdierreptielen: # Dicynodon
Aan einde zeer grote uitstervingsgolf (zeeleven gedecimeerd; veel Armpotigen. Reptielen nemen plaats Amfibiën inTrias-25 tot -210
Koel en vooral droog klimaatBloeiperiode van de varens
Opkomst DinosauriërsJura-210 tot -140
Warm klimaat
Uiteenvallen PangaeaUitbreiding van de Schaaldieren
Veel Ammonieten en Zeeëgels
Ontwikkeling van de Vogels: # Archaeopteryx
Dominantie van de Reptielen (met de # Dinosauriërs: # Camarasaurus)
Eerste zoogdieren # ConodontenKrijt-140 tot -65
Aanvankelijk warm en vochtig
Aan einde periode grote vulkanische activiteit en inslag supermeteoriet
Ontwikkeling van de Bloemplanten
Einde periode gekenmerkt door derde grote uitstervingsgolf: o.a. de Dinosauriërs
# Edmontosaurus, # Maashagedis (zeereptiel).Paleogeen-65 tot -25
Aanvankelijk zeer warm waarna afkoelingGrootste uitbreiding Zoogdieren
Eerste mensapenNeogeen-25 tot -2,5
Vorming Alpen en Himalaya en
landbrug tussen N.- en Z.Amerika
Grootse ijskap ooit op AntarcticaVerdere uitbreiding Bloemplanten
Quartair
(glaciale perioden)-2,5 tot heden
Ijstijden (=glaciaal)Eerste oermens (- 2 mj) en eerste mens (-0,1 mj)
# Mammoet, # Reuzenhert,
# Homo erectusQuartair
(interglaciale perioden)- 2,5 tot heden
Perioden tussen de ijstijden met gematigd klimaatSubtropische flora in onze omstreken
# Nijlpaard

Help
Start New Topic
Add Reply

MultiQuote








